Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenië
Dat dadaïsten tegendraads en vernieuwend waren, is bekend. Ook weten we dat Dada-avonden dol en carnavalesk waren en wild en ordeloos verliepen. Maar het is onbekend dat Joodse avant-gardisten uit Roemenië de voortrekkers waren van deze vroeg twintigste-eeuwse spraakmakende internationale kunstbeweging. De Joodse Omroep onthult met de film Pas op voor Dada, wie ze waren, maar vooral hoe ze modernist werden en waarom dit alles zo lang verborgen bleef voor het Westen.
Pas op voor Dada gaat over Joodse dadaïsten uit Roemenië die een belangrijke bijdrage leverden aan de moderne kunst. Onder hen waren Marcel Janco (1895-1984), Victor Brauner (1903-1966), Jules Perahim (1914-2008), Victor Brauner (1903-1966), Maxy (1895-1971), Arthur Segal (1875-1944) en de dichter Tristan Tzara (1895-1962), die alle Dadamanifesten schreef. We horen zijn dwarse teksten, even dwars voorgedragen door zijn vertaler Jan Mysjkin: ‘Dada ontstond uit wantrouwen tegen de gemeenschap. We hebben genoeg van kubisme, futurisme en academiën voor formele ideeën ... Dada is voor en tegen eenheid, vooral tegen de toekomst. We zijn onvrij en schreeuwen om vrijheid ... Dada!!’
Maar eigenlijk gaat Pas op voor Dada over de virulent antisemitische Roemeense culturele elite, die deze Joodse kunstenaars geen kans gaf om ‘Roemeense kunst’ te maken. De Joodse afkomst van deze kunstenaars speelde geen artistieke rol in hun werk, maar de culturele Roemeense elite - die de ‘typische Roemeense stijl’ zocht en uitgesproken antimodernistisch was – noemde het modernisme ‘typisch joods’. Hun jodenhaat viel samen met hun aversie tegen het modernisme. Picasso moest als grondlegger van het kubisme wel Joods zijn. Een criticus schreef: ‘Tzara en Picasso, grondleggers van dadaïsme en kubisme, zijn Joden.’
De Roemeens-Joodse kunsthistoricus Radu Stern, die zich in 1979 op de vlucht voor antisemitisme en communisme in Zwitserland vestigde, wekt een weinig betrokken indruk. Of heeft hij als Roemeen geleerd om zijn passie voor de Joodse avant-gardisten – een ‘gevaarlijk’ onderwerp in Roemenië - te onderdrukken? Hij formuleert voorzichtig en ontwijkend: “Je zou kunnen zeggen dat het voor een Jood makkelijker was om modernist te worden, want het was hen niet toegestaan om als Roemeens kunstenaar te werken. Zij wilden ‘nationale kunst’ en sommige theorieën stelden dat je volbloed Roemeens moest zijn om Roemeense kunst te kunnen voortbrengen.”
Stern schetst de positie van de Joodse kunstenaars in de internationale avant-garde. Hij vertelt niet dat Joden en hun avant-gardistische werk, waarvan de film een mooie selectie presenteert, in Roemenië ‘ontaard’ heetten. Ook over het antisemitisme, dat er sinds de negentiende eeuw bon ton is - is Stern zwijgzaam. De Roemeense politicologe Diana Oncioiu is stelliger: “Joden werden gezien als een etnische en religieuze dreiging, een gevaar voor de natie.” Roemeense intellectuelen vreesden ‘culturele judaïsering’. Oncioiu citeert een van hen die stelt dat de ‘Joodse invasie’ het Roemeense nationalisme antisemitisch heeft gemaakt en dat Joden ‘eerst Joden zijn en dan pas mensen. Als ik Joods,’ besluit hij, ‘zou ik acuut zelfmoord plegen.’
Antisemitisme bleek een ‘hartstocht’ van vele politici waardoor begin twintigste eeuw de antisemitische ideeën van de intellectuelen geleidelijk staatsbeleid werden. Als ‘vreemdelingen van binnenuit’ waren Joden gevaarlijker dan buitenlanders en hun gelijkberechtiging en staatsburgerschap heetten ‘Roemeense zelfmoord’.
Veel Joodse kunstenaars veranderden hun naam. ‘Tristan Tzara’ betekent ‘Droevig in mijn land’. Tzara verliet Roemenië in 1916 om nooit meer terug te keren. Ofschoon hij er was geboren (als Samuel Rosenstock), was hij geen staatsburger. In zijn geboorteakte stond hij als ‘zoon van ouders van de Mozaïsche religie, Israëlitische nationaliteit, niet ontvankelijk voor enige bescherming’. Maxy, die werd geboren als Maximiliaan Herman, stond geregistreerd als zoon van een ‘uitheemse timmerman met de Israëlitische nationaliteit’. In 1919 kregen de Joden gelijkberechtiging en in 1923 kende Roemenië de Joden als laatste Europese het staatsburgerschap toe.
De Joodse kunstenaars voelden zich meer thuis in kosmopolitische avant-gardistische kringen in het buitenland. Marcel Janco en Tristan Tzara vestigden zich in Zurich, waar ze van groot belang waren voor de ontwikkeling van het dadaïsme. In 1916 zocht Janco werk als zanger. ‘Maar lieve vriend, u bent toch schilder?’ vroeg Hugo Ball, de oprichter van het dadaïstische Cabaret Voltaire. ‘Hier zijn muren. Laat zien wat je kunt en breng je vrienden mee.’
We zien – of liever gezegd horen – de presentatie van het eerste simultane gedicht dat ooit op een Europees podium te horen was: L’amiral cherche une maison a louer. Ze haalden hun “partituur” tevoorschijn, lieten alle schroom varen en schreeuwden elk afzonderlijk hun tekst uit. Dit geroep in het Engels, Frans en Duits ging gepaard met geluiden zoals gehoest, gefluit, gehik en geblaf en verbijsterde de toeschouwers die zich geen raad wisten met deze kakofonie.
De groep viel uiteen. Tzara vestigde zich in Parijs, maar Janco wilde zijn thuisland laten kennismaken met de avant-garde en hij keerde in 1921 hoopvol terug. Hij liet als medewerker van bekende tijdschriften als 75 HP, Punct en Integral van zich horen, samen met Arthur Segal en zijn leerling Maxy, die hem vanuit Berlijn volgden. Maar de positie van Joden in Roemenië werd steeds slechter: Roemenië was nog steeds voor de Roemenen.
Een karikatuur van Maxy had een haakneus, zijn kwast werd vervangen door een gifslang waarmee de Jood de kunst ‘vergiftigde’ en hij zou ‘kosjere verf’ gebruiken. Brauner maakte alleen nog maar ‘kofferschilderijen’ en Janco nam een kijkje in Palestina. Hij vestigde zich er in 1941, na de moord op zijn zwager tijdens de pogrom van de Roemeense nationaal-socialisten. In 1953 richtte hij er het kunstenaarsdorp Ein Hod op.
“De tijd is nu rijp voor een eerbetoon aan deze voorvechters van het modernisme. Ze hebben het verdiend,” zegt Stern in Pas op voor Dada. Hij spreekt ook als gastconservator van de overzichtstentoonstelling Van dada tot surrealisme. Joodse avant-garde kunstenaars uit Roemenie, 1910-1938 die in het Joods Historisch Museum te zien is. Het is een unieke overtuigende tentoonstelling van werken die nooit eerder buiten Roemenië getoond werden, laat staan dat ze ooit gezamenlijk te zien waren.
Vanwege het antisemitisme in het Oostblok schreven kunsthistorici niet over Joodse kunstenaars waardoor ze onbekend bleven voor het westen. Stern: “Onder het communisme was dit onderwerp taboe. Ten eerste omdat ze Joods waren, ten tweede omdat ze bourgeois waren en ten derde waren ze geëmigreerd. Ze verenigden alle mogelijke kwaden in zich en kunsthistorici waagden zich niet aan zo’n gevaarlijk onderwerp.”
Pas op voor Dada, zondag 12 juni 14.00 uur, Nederland 2
11 juni 2010 9:37